Reisnotities van Jasper Mikkers, gast op de Nije Faam van 12 tot 25 januari 2006.

afbeelding van Jasper

Op de late avond van 12 januari staan Mariëtta en Paul me op het vliegveld van Banjul op te wachten. Ik zie ze over het hoofd als ik de hal binnenloop, ze hebben zich als inheemsen vermomd, Mariëtta in elk geval. Die heeft zich in een bont lang gewaad gehuld en om haar parmantige hoofd een doek gewikkeld. In een taxibusje dat ze gehuurd hebben, rijden we naar Lamin Lodge waar de Nije Faam ligt. De lucht is nog warm en bezit de typische aromatische geur van de subtropen.
De volgende dag komen Arnold en Coby, varend op de Drifter, naar de Nije Faam en terwijl we koffie drinken wordenundefined alle materialen die ik heb meegebracht, uitgepakt en bekeken. De jongens glunderen, ze zien zich al knutselen, en met ander gereedschap in de weer. Ik heb alle spullen zonder problemen door de douane kunnen krijgen, behalve de omvormer van Arnold: daarvoor heb ik 20 euro aan invoerrechten moeten betalen.
De twee boten liggen in een kreek omgeven door mangroven. Af en toe varen vrouwen voorbij. Ze zitten in lage bootjes, uitgeholde boomstammen, rustig peddelend en gestoken in nogal wat kleren. Ze gaan, bij laag water, oesters steken, op de bodem of op de wortels van de mangroven. Hun zwarte gezichten steken mooi af tegen hun rode en blauwe truien, de bootjes steken iel af tegen het vele water en langzaam glijden ze weg tot ze om een hoek verdwijnen. Later zie ik ze oesters verzamelen, naast elkaar door het ondiepe water lopend, gebukt en voetje voor voetje, zoals ibissen naar voedsel zoeken.
’s Middags bezoek ik met Paul het stadje Serekunda en het Abuko Natuurreservaat. De slank gebouwde Gambianen zijn mooi gekleed, vanwege het drie dagen durende offerfeest, vooral de meisjes, moeders en kinderen. In het natuurreservaat observeren we vanuit een schuilhut antilopen, krokodillen en marsh-mongoose, maar vooral veel vogels zoals de palmgier en reuzenijsvogel.
De volgende dag ga ik met Mariëtta naar de markt. Op de weg erheen en terug worden we door tientallen kinderen met lopende snotneuzen begroet, gevolgd en begeleid. Ze nemen onze handen vast en lopen met ons mee, bedaard en tevreden, alsof ze eindelijk hun echte vader en moeder hebben gevonden. Hun dunne vingertjes voelen glad en koel aan in onze handen. Mariëtta krijgt een lift aangeboden van een voerman met kar en ezel. Op de markt kopen we pepers terwijl we denken dat het paprika’s zijn. De koopvrouwen hebben alle groenten in kleine hoeveelheden verdeeld en op een doek verspreid neergelegd, alsof het juwelen zijn. En zo pakken ze ze ook vast en verschuiven ze met hun slanke handen die op danseressen lijken.
Tegen vijf uur vertrekken we met de twee boten, richting Banjul in de monding van de Gambia (de rivier). De tocht landinwaarts over de rivier begint. Als het donker wordt, leggen we aan bij de haven van Banjul, met zicht op grote vrachtschepen en in het gehoor de aanwaaiende en niet aan ons bestede oproepen tot gebed. We eten wat en rummikuppen bij een borrel.
De volgende dag vertrekken we vroeg, bij het opkomen van de zon, om maximaal profijt te hebben van het opkomende tij. Op de stroom van de vloed die stroomopwaarts gaat, laten we ons de rivier opdragen, daarbij geholpen door de motor. Er steekt een wind op die snel toeneemt, Paul hijst het voorzeil en we maken behoorlijk vaart. Later als we de wind teveel van voren krijgen, moet het zeil weer opgerold worden. Golven slaan over de boot, de wind doet 28 knopen, het is gezellig weer, de rivier begroet ons met een knipoog en krachtige handdruk. Mariët grijpt de accordeon en zingt het ene mooie zeemanslied na het andere, de boot wordt een bruine kroeg in de Jordaan, over de Gambia hobbelend en ploegend, het schippersbitter van de vorige avond, van vlak voor bed, werkt misschien nog even door bij de zingende bemanning. We passeren Dog Island en James Island met de ruïne van een fort en baobaps die er vreemd bleek uitzien, als zijn ze helemaal onder gescheten door reigers. Het fort is door Fransen en Nederlanders gebruikt en heeft een rol gespeeld in de slavenhandel. Het is nu niet meer dan een vervallen toeristische attractie. Paul vertelt dat hij twee massieve Amerikaanse negerinnen heeft ontmoet die een tour maakten door Gambia om hun roots terug te vinden. Ze zagen de armoe langs de rivier en de een zei tegen de ander: ‘Ik ben blij dat mijn grootvader toen niet de boot gemist heeft.’
Na enkele uren varen we de zijvier Bintang Bolong in, en gaan voor anker tegenover Bintang. Ik roei in de bijboot naar het dorpje waar ik opgewacht wordt door een lange slanke Dinka die ik niet meer van me af kan schudden en daarom als gids accepteer en die me, steeds een paar trekken nemend van joints die dorpsgenoten op banken in de buurt zitten te roken, rondleidt en meeneemt naar de lodge, naar het huis van een weduwe met een baby – ik moet per omgaande voogd worden en kleren en geld sturen als ik terug ben in Nederland, zijn eigen familie – zijn vader is drieënnegentig en bezit twee vrouwen onder wie een jonge met kind -, de school – met niet ver daarvandaan een poel met de huiskrokodil die alle overgebleven hapjes uit het dorp krijgt toegeworpen -, een vismarkt en koelcellen waarin vis bewaard wordt tot de volgende ochtend, een handelaar met zwart baardje bewaakt de cel, er ligt onder een ijsblok met zand besmeurde vis waaronder een geschubd exemplaar, zo groot dat hij maar net in de koelruimte van anderhalf bij anderhalf past. Op zeker moment zeg ik tegen de zichzelf tot gids benoemde man dat ik even alleen verder wil wandelen, bij een majestueuze olifantenboom met huizenhoge lijstwortels spelen meisjes honkbal met een stok en tennisbal, er is veel gelach en plezier, jongetjes stuiven in het rond, in dat ongedwongen spelen zie ik mijn eigen kindertijd terug waarbij altijd gespeeld werd met veel kinderen bij een enorme wilg in de straat.
’s Avonds gaan we met vijven eten in de lodge bij het dorp, friet met garnalen in een sausje. Het restaurant ligt aan de rivier, jammer genoeg wordt het al donker als we net zitten.
Bij het eerste daglicht lichten we het anker. Als dat gebeurt, is er volop bedrijvigheid, en door ons lijf verspreidt zich het opwindende besef dat er weer een nieuwe dag is aangebroken waarop allerlei moois en boeiends beleefd gaat worden. Nu eens vaart de Nije Faam, dan de Drifter voorop. Er is contact via de marifoon, waarbij een en ander besproken wordt: hoever er mogelijk gevaren gaat worden, hoever het tij is. Als de wind het toestaat, zet Paul de genua uit en geniet van de minste wind in de zeilen. Arnold op de Drifter denkt er het zijne van en maakt zich niet moe. Hij blijft op de motor varen. Mariëtta verdwijnt in het vooronder en gaat kijken hoe de yoghurt, die aan hun voeteneind met hen de nacht doorbracht, ervoor staat. Ze heeft een yoghurtplantje gekregen van een ander schip en kweekt er nu haar eigen toetjes mee. Af en toe vraagt Coby via de marifoon of we de vogels op de oever zien en soms wat de naam van een gesignaleerde vogel is. Zo stellen Paul en ik op zeker moment vast dat we een maraboe zien staan op een wrak langs de oever, maar de twee grote vogelkenners blijken zich later vergist te hebben: het was een Afrikaanse Nimmerzat.
Tegen de middag bereiken we Mandori Creek. De pilot, een boek waarin de rivier nauwkeurig beschreven wordt, meldt dat de kreek een buitengewone rustige plek is met veel vogels, maar dat de toegang ondiep is. Arnold gaat voorop. Als zijn boot, met een grotere diepgang, een doorgang kan vinden, is er voor de Nije Faam helemaal geen probleem. De Drifter loopt vast, maar worstelt zich weer los, angstvallig volgen we op de Nije faam de diepten die Coby doorgeeft: ‘Eentachtig, eenzeventig, eentachtig, eennegentig’, de Drifter woelt zoekend met de kiel door de modder, als een overmaatse meerval, wanhopig op zoek naar diepte. ‘Twee meter, tweetien,’ we luisteren zwijgend, ‘we zijn erdoor denk ik, ja, tweetwintig, het wordt dieper, drie meter, drieëneenhalf…’ Ook de Nije Faam wordt door Paul door de ondiepte geloodst, ik merk zelf dat het moeilijk is de weg die de Drifter ging precies in het geheugen vast te houden omdat er op het water geen markeringspunten zijn, alleen de verder weg liggende de oever biedt enig houvast, over maar niet veel, omdat de rondingen en vormen in elkaar vervloeien.
We liggen na het ankeren in een door mangroven en boomskeletten begrensd niemandsland aan, en in de loop van de middag zien we inderdaad vele soorten vogels, waar van de visarend in een kale boomtop ver weg de meest bijzondere is. Coby en Arnold komen naar de Nije Faam, we drinken een glas lekker koud bier, het gesprek dat ontstaat, maakt duidelijk dat natuurmens en jager Paul af en toe lijdt onder het vooruitzicht dat zulke vrijwel verlaten natuurgebieden als waarin we ons bevinden, in de nabije toekomst niet meer zullen bestaan. Vlak voor het vallen van het duister vliegen vele bonte ijsvogels langs, aan de andere kant van de kreek, en het lijken er twee keer zoveel doordat hun spiegelbeeld in het rimpelloze water met ze opvliegt.
’s Avonds eten we als toetje de met veel liefde opgekweekte yoghurt en die smaakt buitengewoon.
Na spelletjes met pokerstenen, en nadat Mariëtta naar bed is gegaan om nog wat te lezen, en nadat we nog maar eens een borrel hebben ingeschonken, er is een keuze uit oude Bols, schippersbitter en Spaanse cognac, begint Paul te vertellen over zijn reizen door Afrika en de band die zijn familie heeft met dit continent. Zijn broer was er 17 jaar een flying doctor en verongelukte vlakbij het Victoriameer met een vliegtuig. Zijn weduwe met kinderen ging op de plek van ongeluk wonen en woont er nog. Met haar zoon en zijn neef ging Paul een aantal keren op jacht, achter buffels en andere beesten aan. Een zus van Paul verloor bij een bootongeval op het Victoriameer een been.
’s Ochtends, terwijl we van het brood eten dat Mariëtta zelf gebakken heeft, en wachten op goed tij om te kunnen vertrekken en door de ondiepte te kunnen varen, horen we een plons en als we ons omdraaien, zien we dertig meter van ons vandaan de visarend uit het water omhoog komen met een grote vis in zijn klauwen. Hij heeft meer succes dan wij die met een lijn achter de boot en soms met een hengel vissen proberen te scoren, tot nu toe zonder resultaat.
Arnold gaat weer voor, het zenuwachtig peilen en doorgeven van de diepte herhaalt zich, het lukt ons over de ondiepte heen te komen en we varen weer uit de Mandori Creek de rivier op. We hebben de wind op kop, Paul zet de genua uit, een kort stuk lukt dat, de boot gaat er met zeven knopen snelheid vandoor, maar het zeil moet alweer gestreken worden doordat een lijn zich niet goed opgerold heeft in een trommel aan de mast. Geen paniek, Popeye komt in aktie en lost het probleem op.
Er worden voortdurend nieuwe benamingen, termen en woorden uitgevonden. Zo heet Mariëtta af en toe Olijfje en sinds kort niet meer Van Bakel maar Debacle. Mariëtta Debacle. Het Elfde gebod luidt niet meer: En gij zult genieten, want in genieten zit het stamwoord ‘niet’, wat negatief klinkt, alsof genieten eigenlijk betekent: Gij zult vooral niet doen. Dus luidt het elfde gebod aan de Nije Faam: En gij zult geniteren.
Regelmatig barst Paul in gezang uit, verrast de bemanning met een brommerig en stevig gezongen Amsterdams volksliedje, of zegt een gedicht.
Weer veel vogels op de oevers, zoals allerlei soorten reigers en pelikanen die gezamenlijk aan het vissen zijn (samen zwemmend vis insluiten). Maar het meest opmerkelijk is een zeearend die overvliegt en in een boom aan de oever gaat zitten.
Even verder varen we over een vissersnet waarvan we de drijvers door het ruwe water niet gezien hebben. De visser zit in zijn dugout (holle-boomstambootje) verlamd toe te kijken, gelukkig komt het net niet in de schroef vast te zitten, en we waarschuwen Arnold die op de Drifter achterop komt.
We ankeren aan voorbij Devil’s Point, bij Tambakoto Creek. Er liggen vlakbij drie netten, dwars op de rivier, en aan het eind daarvan, bij de oever, zit de visser in zijn dugout. Als het donker wordt, zien we vuurtjes opflakkeren in de bootjes, waarschijnlijk zetten ze thee of maken een maaltje klaar op een houtskoolvuurtje. We eten een stevig maal, zitten er daarna tamelijk suffig bij en spreken het verlangen uit op tijd naar bed te gaan. Om één uur zitten we nog naar elkaars levensverhalen te luisteren.
Als de zon opkomt, is het 18 januari en voor het eerst schijnt de zon niet. Het is fris en winderig. De vissers die de hele nacht bij het vuur in hun bootje zaten en hun netten bewaakten, zijn weg, en met hen ook de netten.
Ik ben dagen eerder uitgenodigd door Coby om op de Drifter te logeren en zal vandaag de Nije Faam voor een of twee dagen verlaten.
Paul roeit me met de dingy naar de Drifter en even later sta ik al aan het roer als we verder richting Jangjangbure ofwel Georgetown (vroegere, Britse naam van de hoofdstad en bestuurscentrum van Gambia) varen. Het weer is goed, zonnig met een krachtige bries. De eerste dag al deed zich een voor Nederland zeldzaam verschijnsel voor: het waaide bijna op stormkracht terwijl tegelijk de zon heerlijk scheen.
Tegen de avond leggen we aan bij Sea Horse Island, langs de rivieroever. Als de boten voor anker liggen, vaart een dugout langs de oever en de schipper van dit eenmansbootje, een visser, blijkt als we hem aanroepen, met vangst huiswaarts te keren. Coby en ik kopen een flinke vis van hem, hij weegt tweeëneenhalve kilo, Paul en Mariëtta kopen twee kleinere. We maken hem schoon en fileren hem, de graat en kop worden bewaard voor de soep van morgen. De filé gaat in een grote rookdoos en als we die na vijftig minuten op tafel openmaken, is de vis gaar. Het stuk filé dat we met de huid naar boven op het rooster legden, is het lekkerst, maar valt bijna uit elkaar, zo gaar is het vlees. Het stuk dat we met de huid naar beneden rookten, is vaster, maar flauw van smaak. Misschien ook moeten er vóór het roken zout en kruiden op. Niettemin smaakt de vis heerlijk.
’s Avonds passeren in de kuip van de Drifter bij een fles koude witte wijn allerlei levensverhalen, van Coby die voordat ze op wereldreis ging, bij de Fransicanessen in Oisterwijk werkte waar ze dementerende nonnen begeleidde en bezigheidstherapie gaf. Vlak nadat ze ontslag had genomen en met Arnold voor de reis zou vertrekken, werd ze ziek en moest drie operaties ondergaan. Uiteindelijk vertrokken ze een jaar later dan gepland.
De Drifter is een eenmaster van beton en twee keer zo zwaar als de Nije Faam. Hij is breder, hoger en ruimer en ligt twee meter diep, 20 centimeter dieper dan de Nije Faam. Het schip met een lengte van 14 meter is ingericht en voorheen gebruikt als kleine zeilcruiser, er zijn zeven slaapplaatsen, twee douches, twee wc’s. Ik slaap heerlijk in mijn kooi, ’s ochtends als ik opsta, haalt Arnold net het anker op en om 7.15, als het licht wordt, varen we al. De schippers willen van de paar uur dat we het tij nog mee hebben, gebruik maken. Even later, terwijl we varen, komt er een lekker ontbijt op tafel, een broodmaaltijd aangevuld met koude gerookte vis. Het wondje dat ik aan een vinger opliep bij het schoonmaken van de vis, er zat een stekel verborgen in een vin, is niet ontstoken en lijkt normaal te willen genezen, de lucht is betrokken, het is fris. We varen tweeëneenhalf uur naar Kau-ur, ankeren daar omdat het tij is gekeerd en we de stroming tegen krijgen. Naast de wharf, een schuine helling op de oever waarlangs boten omhooggetrokken worden, staat een grote aardnotenfabriek (groundnutfactory). Aardnoten is het enige produkt dat Gambia uitvoert, de noten worden op grote schaal verbouwd. Jongetjes in een dugout komen langszij liggen en beginnen van alles in gebroken Engels te vertellen. De Nije Faam ligt een heel stuk verder voor anker, voorbij het dorp. Coby en ik roeien naar de oever, daar ontmoeten we even later Mariëtta en we gaan gedrieën boodschappen doen. De schippers blijven achter, hun kostbare vaartuigen bewakend. Iemand moet dat doen, vinden ze. Als ik op de oever een foto wil nemen van gedroogde vis die in grote pakketten wordt samengebonden om geladen te worden, komt een vrouw naar voren die dat zwaaiend met een opgestoken vinger verbiedt. Het lijkt een principieel verbod, maar een man vertelt dat het mag als ik er geld voor betaal. Ik heb geen zin over elke foto die ik wil nemen te onderhandelen, dus lopen we zonder foto over een weggetje van rode aarde richting Kau-ur een kilometer landinwaarts. Op weg erheen springen we aan de kant voor karren op twee wielen met een ezel ervoor die in volle vaart op ons afdenderen terwijl een jongen er rechtop opstaat, de leidsels in zijn hand als een Romeinse wagenmenner in de film Ben Hur. We komen terecht op een markt met vele mensen in vele kleuren en met allerlei kleurige waren. Mariëtta begint aan een eenzame odyssee: ze wil een kip scoren, een flinke, een levende, zodat ze zeker weet dat die vers is, en ze wil ook dat de kip voor haar de nek om gedraaid wordt en eventueel geslacht. Een oudere, rijzige, waardige man in een lichtblauwe jalaba is bereid haar te helpen en brengt haar in contact met kippenverkopers. Maar als de kip haar uiteindelijk aanstaat, is er geen slachter in de buurt, en andersom. Terwijl Mariëtta ferm doorzet, op jacht naar haar verse kip, koopt Coby aardappelen en andere groenten in. Ikzelf loop wat te dwalen, schijnbaar verveeld, heb mijn camera losjes in mijn hand, ter hoogte van mijn broekzak, en druk regelmatig een knop in, neem zo heimelijk foto’s.
Ook hier lopen af en toe kinderen met ons mee. Een jongetje van een jaar of drie neemt mijn hand en loopt mee, alsof dat vanzelfsprekend is. Ik loop met hem over de markt en weet niet of dat gênant is of niet, of wie weet nogal belachelijk. Als ik vrees dat het jongetje de weg niet meer terug zal kunnen vinden als hij nog langer mee loopt, maak ik zijn hand los en wijs naar achter: hij moet terug, naar zijn moeder. Maar het zwarte hoofd schudt van nee. En opnieuw pakt hij mijn hand. Ik maak die weer los en dan loopt hij naar Coby en pakt haar hand. Coby geeft hem een toffee. “En nu moet je echt gaan.’ Hij vertikt het. De man die hielp bij het nog altijd niet-kopen van een kip spreekt het jongetje in zijn eigen taal toe. Het jongetje schudt het hoofd en grijpt Coby’s hand. Meerdere mensen gebieden hem op te rotten en duwen hem van ons vandaan. Uiteindelijk begint hij te huilen en loopt snikkend van ons weg. ‘Ach, zie hem nou toch, met zijn knuistjes in zijn ogen. Hij huilt.’ Coby kijkt hem verscheurd na.
Zonder kip lopen we na twee uur over de markt gezworven en een in olie gebakken visje gegeten te hebben, terug naar de rivier. Ik bekijk op de display de foto’s die ik heb gemaakt: de meeste zijn schots en scheef genomen, sommige lijken grondstudies, voor een of ander wetenschappelijk grondonderzoek, maar enkele zien er op het eerste oog redelijk uit.
Op de boot knoop ik een touw dat aan de boot is vastgemaakt, om mijn middel en zwem in de rivier. Als ik hard zwem, kan ik de stroom de baas en blijf op dezelfde plek ‘hangen’. Zodra ik gas terugneem, sleurt het water me mee. Ik zwem elke dag en elke dag wordt het water minder zout, merk ik.
We varen om 16.00 uur weg van Kau-ur, als het tij opnieuw is gekeerd en we de stroming door de vloedbeweging mee hebben. Rond 18.00 uur wordt er druk gepalaverd, dus per marifoon overleg gevoerd over de vraag hoe laat er geankerd wordt en waar. Vóór het donker moet het anker uit. We voeren langs drie eilanden aan de rechterhand, we varen als we het laatste eiland, Pappa Island, gepasseerd zijn, de doorgang in. Zoals steeds moeten we eerst over een ondiepte, een drempel heen, en dan ankeren we een paar honderd meter verder voorbij een bocht.
Het is snel donker, er wordt gegeten temidden van mysterieuze geluiden, in de begroeiing op de oever klepperen en zoeven vleugels van voortdurend opvliegende vogels, de insecten kunnen niet bij ons doordat de kuip met gaas is afgesloten. Rond half negen pak ik mijn spullen en samen met Arnold roei ik naar de Nije Faam. Ook al is de afvalborstel die ik twee dagen geleden met het afwaswater overboord heb gekieperd op de Nije Faam, niet opgedoken, ik word toch weer in genade aangenomen door Paul en Mariëtta.
Van Paul krijgt Mariëtta te horen dat ze volgende keer een levende kip mag meebrengen. Hij zal die wel slachten. De reis lijkt nu een tweede dimensie gekregen te hebben: de tocht van Mariëtta naar de eerste kip die ze de kop afhakt. Want, vindt ze, iemand die een wereldreis maakt, moet dat wat wredere maar reëel aspect van het leven ook onder de knie krijgen. We zullen haar op de reis volgen, en kijken of ze dit voornemen ook uitvoert.
De volgende dag, de 20e, varen we weer bij het ochtendgloren aan, om zolang mogelijk profijt te hebben van het gunstige tij. We varen tot Deer Island, en ankeren daar, rond 11.00 uur, en de plek wordt door ons Red Hill gedoopt, naar de heuvel van rode steen op het land vlakbij. Arnold en Coby blijven aan boord, Mariëtta, Paul en ik gaan aan land en wandelen naar het dichtstbijzijnde dorp. Die bestaat uit ronde hutten met spitse daken van palmbladeren. Na een eerste aarzeling worden omringd door talloze kindertjes. We bezoeken de dorpsoudste die van Paul een moderne knijpkat krijgt, een zaklamp die door het draaien aan een handeltje opgeladen kan worden. De kinderen krijgen samen een zak snoep. We worden uitgenodigd in de hut van de dorpssecretaris die ons een briefje meegeeft waarin hij om schrijfmaterialen verzoekt. Hij doet lang over het schrijven van enkele regels, werkt er met volle concentratie aan.
Na het bezoek aan het dorp gaan we op weg naar de steencirkels in Wassu. Onderweg pikken we in een gehucht twee meisjes op die Engels spreken en ons willen gidsen. Het wordt een wandeling van ruim een uur, een stukje van de afstand wordt door Mariëtta afgelegd op een ezel. Het terrein met cirkels is afgezet met een muur en hek en er is een klein museum bij. De tekst bij foto’s geeft aan dat de cirkels grafmonumenten aangeven: een cirkel werd opgegraven en er werden beenderen en een enkel sieraad gevonden. Binnen elders opgegraven cirkels, in Senegal, werden overblijfselen van meerdere doden gevonden, er zijn diverse verklaringen voor.
Om half zeven ’s avonds zijn we terug op de boot, te laat om verder te varen.
’s Avonds horen we de geluiden van nijlpaarden vlakbij, het slaan van (kwispelen met) hun staarten, uit- en inademen. Het is een bijna trompetterend geluid, diep en massief. We slagen er niet in om ze te vangen in de lichtstralen van onze lampen, maar het geeft een bijzonder gevoel om zo dichtbij ze te zijn, we raken vervuld van eerbied voor zoveel kracht en geweld. Misschien is dat de oorzaak ervan dat we de kurk in de fles laten en na de nuttiging van een, twee borrels al te kooi gaan.
’s Nachts om vijf uur kan ik niet meer slapen en sta op. Mariëtta en Paul zijn ook opgestaan en zitten in de kuip om zich heen te kijken, naar het water en de oevers in het maanlicht. De hippo’s laten zich niet meer horen en als ik ga slapen, raakt de lucht bewolkt en even later is de maan verdwenen.
We halen ’s ochtends vrij laat het anker op en varen heel rustig verder de rivier op, meestal op het voorzeil, de motor uit. Paul zingt. ‘Oh ja, heeft die smeerlap dat gedaan? Als dat ik later groot en sterk ben, zal ik hem op zijn falie slaan.’’Het is zo fijn, met zijn allen op zee te zijn. Sapperdejotia, sapperdijeé, holladio.’
Hij gaat op de bank van de kuip zitten, pakt op de laptop mijn tekst voor zich en begint die door te lezen en op zeemanstermen kritisch door te kijken. ‘Vermaak je je een beetje?’ vraagt Mariëtta. ‘Het is naar werk, dat sturen de hele dag, dus moet je er wat bij doen.’
Als we bij een splitsing van de rivier komen bij de Baboon Islands, twee eilanden waar chimpansees die in het wild worden en zijn uitgezet, varen beide boten aan stuurboord te dicht langs de oever. Of het intuïtie is of iets anders, Paul draait op tijd naar bakboord, maar de Drifter die achter ons aan vaart, raakt in de val en vaart vast. Op dat moment komt een motorboot van de bewaking van het natuurreservaat fullspeed op ons af. Ze hoeven ons niet te vertellen dat we niet door de rechter rivierarm mogen gaan, het bord dat dat verbiedt, hebben we gezien. Het komt er op aan de Drifter los te krijgen, en dat moet snel gebeuren. Paul draait de boot en vaart terug naar Arnold en Coby. De natuurwacht brengt een lijn van de Nije Faam naar de Drifter, Paul geeft gas, de Drifter blijft zitten, de Nije Faam drijft stuurloos naar dezelfde zandbank af, ‘Gooi de lijn los’, roept Paul, de lijn wordt losgegooid, we proberen het opnieuw, nu tegen de stroom in varend, de natuurwacht kijkt toe, de motor van de Nije Faam werkt zo hard dat hij van hitte stinkt, ik zie het allemaal al voor me, die boot komt nooit meer los, de Nije Faam raakt zodadelijk ook vast, de boten komen hier nooit meer weg, we moeten ons kamp op de oever opslaan en toezien hoe de boten langzaam kapseizen en onder golven verdwijnen terwijl komende jaren twee boven de golven uitstekende masten de plek aangeven waar de ramp zich heeft voorgedaan. De schroeven smijten het bruisende water van zich af en langzaam komt de Drifter in beweging. Niet te geloven, het lukt Paul. Shit, dat was op het kantje.
Als we verder varen, brengt de natuurwacht op niet mis te verstane wijze over dat we de eilanden met chimps voorbij moeten varen en niet mogen ankeren. Ze wenden al hun autoriteit aan, opeens, om indruk op ons te maken. We snappen het niet allemaal, maar knikken bereidwillig. En Paul begint weer te zingen. ‘Het hondje van de bakker, dat heeft iets vies gedaan, het is gaan zwemmen, zonder broekkie aan.’
’s Avonds spelen we boerenbridge met Coby en Arnold op de Drifter en nemen het voorval daarna nog eens door. Het was de eerste keer dat Paul en Mariëtta een andere boot vlot trokken. Op de Nije Faam nemen we nog een borrel voordat we gaan slapen.
’s Ochtends is het heerlijk weer en ik ga meteen zwemmen, zonder lijn, want er staat geen stroming. Om half twaalf halen we het anker op en om drie uur in de middag komen we aan in het vroegere Georgetown, dat nu Janjanburay heet.
Misschien ga ik van hieruit over enkele dagen met de bus terug naar Banjul, om daar het vliegtuig naar Nederland te nemen.
Het is 24 januari. Het anker wordt gelicht, de Nije Faam laat Janjangbureh of Janjangburay of hoe het verder nog gespeld kan worden, ik zag al vier spellingwijzen, achter zich en vaart verder stroomopwaarts, richting Bansang en Basse. De dag dat ik op het vliegtuig terug naar Nederland zal stappen, komt dichterbij, ik besluit op het voorschip te gaan zitten om de riviergoed in me op te kunnen nemen, voor het laatst. De oevers glijden voorbij, onzichtbaar achter de begroeiing liggen dorpen met ronde hutten en afrasteringen, in de bomen hurken reigers, meestal de kleine zilverreiger of middelste reiger, met gele bekken, af en toe een zeearend of palmgier die allebei een witte kop hebben en zwart lijf en door ons met elkaar verward worden soms, de roodsnaveltok die ‘een in tempo toenemend klokkend geluid maakt’ zoals het vogelboek van Gambia schrijft, de bonte tok die ‘het geluid maakt van iemand die lacht’ en de hamerkopvogel. We zagen in de loop van de tocht heel wat bijzondere dieren. Op de tweede dag na ons vertrek uit Lamin Lodge, in woelig water, volgden dolfijnen de boot, later lagen we temidden van nijlpaarden voor anker en nu, vandaag, warempel, wat is dat daar. ‘Een stuk hout,’ zeg ik. ‘Nee, een krokodil,’ zegt Mariëtta. We pakken de verrekijker en na vlijtig studeren volgt de slotconclusie: een overstekende krokodil. De eerste. Maar hoe mooi de rivier ook is, na enige tijd begint het water op water te lijken en het groen op groen, en ik pak het boek waarin ik een jaar geleden toen ik met Annemiek door de zuidelijke staten van de VS reisde en de Mississippi en New Orleans verkende, begon te lezen: ‘De Mississippi’, van Jonathan Raban. De verleiding is te groot om er even een blik in te werpen, en even iets van de humor van het boek mee te pikken. Merkwaardig is het wel dat ik door een Afrikaans land reizend een boek over de Mississippi lees: een Europeaan die in Afrika een boek over Amerika leest.
We naderen aan bakboord een rots in de rivier. De pilot (beschrijving van de vaarroute in boekvorm) waarschuwde ervoor. Ertegenover, in een bootje onder een boom bij de andere oever, zitten twee witten en twee zwarten te vissen. De zwarten doen aas aan de haak en leggen uit hoe vissen in zijn werk gaat en als alles in orde is mogen de witten de hengel in de hand houden. Het zijn, ja, Nederlanders. We vragen naar de vangst. Intussen is schipper Paul uit eerbied voor de rotsen aan de overkant zo dicht langs de oever aan stuurboord gaan varen dat het opeens begint te kraken. De top van de hoge mast wordt gegrepen door overhangende takken, stukken takken en brokken van de windmeter komen naar beneden. Paul klimt in de mast. De schade blijkt uiteindelijk beperkt.
Als we na twee uur in Bansang aanleggen, duik ik de rivier in. Paul legt een lijn uit met een stootkussen: als ik te ver afdrijf of niet meer tegen de stroom kan opzwemmen, kan ik me daar aan vastklampen.
’s Avonds lopen we het stadje in waar in alle straatjes een grote bedrijvigheid heerst: fietsenmaker, kleermaker, smid, allerlei andere beroepen. - Deze ondernemingslust onderscheidt zich van de rust in Janjangburay: daar vulde bijna iedereen zijn dagen grotendeels met nietsdoen, een nietsdoen dat niet wordt nagestreefd, maar waartoe men zich veroordeeld ziet. Veroordeeld tot wachten. Wachten op iets dat zich voordoet en waardoor men in beweging kan komen. Dat iets is bijvoorbeeld een toerist. Met beide handen grijpt ieder de mogelijkheid aan in beweging te komen: ‘How are you? What’s your name? Can I get your adress?’ De een benadert de toerist direct, de ander met een glimlach en elegant. De enigen die zichzelf zichtbaar in beweging zetten, zijn de vissers in hun uitgeholde boomstammen. Ze zijn soms dagen onderweg.
Bij Libanezen kunnen we Guinness kopen: heerlijk. Op de markt ontmoeten we Lamin Ceesay, een Gambiaan die bij de VN in New York werkt en Pronk en Lubbers persoonlijk kent en een van de persoonlijk secretarissen is van Kofi Anan. We wisselen van gedachten over ontwikkelingshulp, over Gambia – ‘Het ontbreekt hier aan fatsoenlijke en bekwame leiders’ en ‘het hier opgeleide intellect ontvlucht het eigen land, Gambia,’ – het schandaal rond Lubbers, en intussen, als contrast, zit Lamins zus achter ons kalm pinda’s te pellen, voor de verkoop of pindakaas. Uiteindelijk nemen we we hartelijk afscheid. We vinden een restaurant en eten er aan een tafeltje buiten terwijl het donker wordt. De eigenaar vertelt dat ik om zes uur ’s ochtends bij de busstandplaats moet zijn, wil ik een bustaxi naar Banjul kunnen nemen. Reserveren kan niet.
We drinken een Guinness op de boot en gaan slapen. Om drie uur hoor ik Paul en Mariëtta achter een insluiper aanjagen, het blijkt loos alarm. Waarschijnlijk ligt de Nije Faam iets te dicht bij oever en heeft de bijboot aan het struikgewas gerukt bij de omkering van eb en vloed en tegen de boot gebonkt. Ik slaap nauwelijks en om vijf uur sta ik op. Om half zes begint de imam lawaai te schoppen, de galmende uitroepen verstoren de rust op een wrede manier, om zes uur roeit Paul me naar de wal, Mariëtta gaat niet mee, daarvoor is de bijboot te klein, en Mariëtta kan moeilijk afscheid nemen, zegt ze, en gaat daarom maar niet mee.
Als we bij de busstandplaats komen, vernemen we het nieuws: er zijn geen bustaxi’s, er wordt niet gereden vandaag. ‘Je vindt wel wat,’ zegt Paul. ‘Zelf ben ik nog nooit ergens blijven staan.’ Hij vertrekt om kwart voor zeven, terug naar de boot. Een Gambiaan die ons de vorige dag al aanklampte, een gladde jongen met vlotte babbel, weet raad. ‘Ik regel wel wat. Als er gereden wordt, zorg ik dat jij erin zit.’ Wie weet lukt het hem. Ik mag het hopen, ik kijk om me heen en zie zeker veertig mensen die net als ik wachten. Er zal wat tegenover moeten staan, als hij iets voor me weet te regelen, maar dat is geen bezwaar.

lees verder...

Locatie: